De zomers
Ronya Othmann – 2024
Over het boek
Ronya Othmann (°1993, München) is een Duits-Koerdische schrijfster en journaliste. In haar veelgeprezen debuutroman De zomers, die als autofictie kan worden gelezen, volgt ze Leyla, een meisje dat net als Othmann een Duitse moeder en een Koerdisch-jezidische vader heeft. Leyla groeit op in Duitsland, maar keert elke zomer terug naar Syrië, het land van haar vader en haar grootouders. Haar kinderjaren spelen zich af tussen twee werelden: tijdens het schooljaar woont ze in Duitsland, maar ’s zomers verblijft ze bij haar jezidische familie in Tel Khatoun.
In het eerste deel van de roman brengt Othmann het Syrische dorp met grote zintuiglijke precisie tot leven: de hitte, de geuren en smaken, het landschap, de dieren, de mijnenvelden, de geloofsrituelen en de verhalen die binnen de familie worden overgeleverd.
In het tweede deel groeit het verhaal uit tot een aangrijpende getuigenis over de genocide op de jezidi’s door IS in 2014. Terwijl Leyla veilig in Duitsland is en met de typische problemen van een opgroeiende tiener worstelt – ontluikende seksualiteit en het zoeken naar identiteit –, ziet ze op sociale media hoe Aleppo wordt verwoest door de troepen van Assad, hoe jezidi’s worden vermoord door strijders van IS en hoe de wereld van haar Syrische familie en gemeenschap ineenstort. Ze kan ’s zomers niet meer terugkeren naar haar Syrische verwanten en vreest voor hun leven, en tegelijkertijd is ze geschokt door het onbegrip en de desinteresse van haar Duitse omgeving. Uiteindelijk maakt ze een radicale keuze…
Othmanns stijl is helder, sober en compact, zonder veel opsmuk. Herinneringen komen in flarden en brokstukken bovendrijven, niet chronologisch, en ze worden afgewisseld met historische feiten, familieverhalen en gebeurtenissen die Leyla via de media volgt.
De zomers leest als een cultureel archief van het Koerdisch-Syrische leven en probeert te voorkomen dat het in vergetelheid raakt. Maar het boek gaat ook over identiteit: over opgroeien tussen twee culturen – en tussen verschillende talen, zoals uit Joëlles vertaalverhaal zal blijken.
Uitgegeven bij Tzara


Joëlles vertaalverhaal
‘Hoe kom je als vertaler aan een nieuwe vertaalopdracht? Je hebt natuurlijk wat geluk nodig. Maar er zijn ook zaken die je als vertaler zelf kunt doen om een vertaalopdracht in de wacht te slepen. Je kunt boeken lezen en er een fragment uit vertalen, dat je vervolgens aan uitgeverijen voorlegt. Je kunt uitgevers aanschrijven. En je kunt netwerken. Nu is dat laatste iets wat veel vertalers liever niet doen: vertalers zijn doorgaans terughoudend en introvert; netwerken ligt meestal buiten hun comfortzone. En dat geldt voor mij als blinde boekvertaler al helemaal, want hoe ga ik naar netwerkevents in steden als Antwerpen of Amsterdam? Wie kan me begeleiden? En hoe kan ik daar dan contacten leggen?
Ondanks de extra moeilijkheden waar ik tegenaan loop, probeer ik een paar netwerkevents per jaar bij te wonen, en zo trok ik in oktober 2022 naar een studiemiddag van het Expertisecentrum Literair Vertalen in Antwerpen. Tijdens de borrel ontmoette ik collega-vertaler Hans van Riemsdijk. Hij vertelde me dat er een nieuw Vlaams literair fonds zou worden opgericht, Tzara, met Toon Horsten als uitgever, en dat ze nog op zoek waren naar een vertaler Duits. We wisselden contactgegevens uit. Enkele weken later werd ik gecontacteerd door Toon Horsten met de vraag of ik De zomers wilde vertalen.
Ik dook in het boek, en algauw merkte ik dat het alweer geen gemakkelijke klus zou worden. “Een schoolvriend van oom Memo, zei Leyla’s vader, Ahmed, je kent hem wel, had zich bij hen aangesloten. Hij was af en toe in het dorp op bezoek geweest, had dan urenlang met oom Memo op het erf gezeten, thee gedronken en gerookt. Hij was ook op de trouwfilm van oom Memo te zien, dansend in de rij tussen de anderen, met in het midden de trommelaar. We waren ook een keer bij hem uitgenodigd, zei haar vader, jij was nog klein. Je hebt met zijn neefjes en nichtjes in de tuin gespeeld. Nu kwam Ahmed niet meer naar het dorp, maar hij had oom Memo wel opgebeld en gezegd: Zolang ik voor het district Hasake verantwoordelijk ben, laten we jullie met rust” – zo schrijft Othmann. Toen ik deze passage vertaalde, vielen me twee zaken op: de ingebedde dialogen en Othmanns exotiserende vertelstijl.
Othmann gebruikt nergens in haar roman klassieke dialogen met directe rede en aanhalingstekens. In plaats daarvan worden uitspraken van personages rechtstreeks in de verhaallijn ingebed, zonder aanhalingstekens, maar mét tussenzinnetjes zoals “sagte der Vater”. Hierdoor is het niet altijd duidelijk wie er precies aan het woord is: Leyla, haar vader, haar grootmoeder of iemand anders. De Duitse lezer krijgt daarbij iets meer duiding dankzij de Konjunktiv, een werkwoordsvorm die aanduidt dat iemand anders aan het woord is. Dat voordeel heeft de Nederlandse lezer niet. Daarom heb ik overwogen om overal aanhalingstekens in te voegen, maar uiteindelijk heb ik dat niet gedaan. In een gesprek met de auteur vernam ik immers dat dit voor haar een belangrijke kwestie is: ze wil hiermee de mondelinge verteltraditie van de jezidi’s tot uiting brengen. Veel jezidi’s, vooral de oudere generatie, zijn analfabeten; verhalen kunnen dus alleen voortbestaan als ze worden verteld. Met haar ingebedde dialogen wil Othmann naar die mondelinge verteltraditie verwijzen. Om de Nederlandse lezer te helpen, voegde ik meer tussenzinnetjes toe zoals “zei Leyla’s vader“. Soms haalde ik die tussenzinnetjes ook meer naar voren, zodat de lezer meteen weet wie er aan het woord is. Als Othmann een dubbelpunt gebruikt met daarna een uitspraak van een personage (zonder aanhalingstekens), neem ik dat dubbelpunt over en schrijf ik het daaropvolgende woord met een hoofdletter. Dat is weliswaar niet gangbaar volgens de Nederlandse spellingsregels, maar als er een plek is waar het geoorloofd is om van spellingsregels af te wijken, dan is het wel de literatuur, toch?
Niet alleen Othmanns ingebedde dialogen waren trouwens pittig om te vertalen; ook haar exotiserende stijl gaf me heel wat stof tot nadenken. Othmann geeft de Koerdisch-jezidische cultuur een stem door een romanwereld te creëren die voor Duitse en Nederlandse lezers bevreemdend kan zijn. Van kinderarbeid tot gearrangeerde huwelijken, van slangen tot Koerdische gerechten, van het jezidische geloof tot het mierennest van Syrische rebellengroeperingen – Othmann laat alles de revue passeren. De Koerdische taal is verboden in Syrië en de auteur wil zich daartegen verzetten door juist die taal centraal te stellen in haar boek. Het gevolg is dat de tekst vol staat met begrippen uit de Koerdisch-jezidische wereld, die wij als vertalers “realia” noemen. Die realia vormden een grote uitdaging tijdens het vertalen. Uiteraard zijn ze voor de Duitse lezer net zo onbekend als voor de Nederlandse, maar toch moet je als vertaler voortdurend op je hoede zijn. De verschillende rebellengroepen in Syrië krijgen in het Duits bijvoorbeeld een andere naam dan in het Nederlands. Daarom moest ik heel wat naslagwerken raadplegen om de juiste benamingen op te zoeken.
En vaak volstond dat niet eens, want ook de transcriptie van die benamingen leverde problemen op. “Het was gewoon een van de vele dorpen tussen Tirbespî en Rmelan. Een dorp waar niemand zomaar verzeild raakte” – zo schrijft Othmann. Toen ik de plaatsnamen uit deze zin wilde opzoeken, kwam ik meerdere schrijfwijzen tegen, en het drong tot me door dat de auteur ze door elkaar gebruikte. Tirbespî is de Koerdische schrijfwijze en Rmelan de getranscribeerde Arabische variant. In het Koerdisch zou het “Rimêlan” zijn geweest. Kennelijk wisselde Othmann af tussen de Koerdische, Arabische en soms ook Turkse transcriptie. In mijn vertaling moest ik telkens afwegen of ik de auteur zou volgen of voor de meest gangbare Nederlandse transcriptie zou kiezen. Hierover overlegde ik veel met de auteur en met expert Lore Baeten.
Ronya Othmann is het schoolvoorbeeld van een hedendaagse auteur die over onze multiculturele en meertalige wereld schrijft. Een boek als De zomers vertalen is inspirerend en boeiend, maar confronteert je ook met de grenzen van je eigen kennis. Je beheerst immers maar een beperkt aantal brontalen, en in mijn geval hoorden Arabisch, Turks en Koerdisch daar niet bij. Dit boek heeft me dan ook geleerd dat je als vertaler moet leren toegeven dat je bepaalde dingen níét kunt vertalen – omdat ze simpelweg “onvertaalbaar” zijn, of omdat je de hulp van experts nodig hebt om een vertaling tot een goed einde te brengen.’
Uit het boek
Lees of beluister hier enkele fragmenten uit De zomers van Ronya Othmann.
Beluister onderstaand fragment
Omdat haar grootvader geen goed woord overhad voor God, was Leyla’s grootmoeder verantwoordelijk voor alle religieuze verplichtingen van de familie. Ze vastte, kookte voor de feestdagen en zorgde voor de sjeiks, pîrs en qewals, zoals de religieuze leiders en zangers werden genoemd, als die op bezoek kwamen.
Op woensdagen waste ze zich niet. Vele jaren geleden was ze met haar jongste zoon Memo zelfs een keer op pelgrimstocht naar Lalish gegaan, hoewel ze het dorp anders nooit verliet. Ze leerde haar kinderen en kleinkinderen de hymne van Şerfedîn te zingen, niet te vloeken, niet op de grond te spugen en nooit de kleur blauw te dragen.
Na het ochtendgebed, dat ze zittend in bed uitsprak, stond ze op, voorzichtig, om de kleinkinderen die naast haar lagen te slapen niet wakker te maken – ze klom de ladder van de hoogslaper af tot ze op het erf stond, en ging de kippen voeren, het ontbijt klaarmaken, theezetten, de tuin besproeien, broodbakken, onkruid wieden, bloembedden omspitten, zaaien, oogsten, het hek repareren. Als het warmer werd, ging ze naar binnen, verstelde kleren, maakte de lunch klaar, at en sliep, tot het weer koeler was. Dan ging ze weer naar buiten, vulde de waterjerrycan in de keuken, plukte wijndruiven, sorteerde de overrijpe druiven voor de raki, reeg okrapeultjes op garen, hing die te drogen in de voorraadkamer, bekommerde zich om de bijen. Tussendoor zette ze thee voor de buren die langskwamen, voorzag ze Leyla’s grootvader van eten en drinken, waste hem en zorgde voor de kleinkinderen. Ze troostte hen als ze zich hadden bezeerd en huilden, dekte hen toe met een deken zodat ze het niet koud kregen als ze onder de ventilator in slaap waren gevallen, trok Miran en Roda uit elkaar als ze ruzie hadden en vochten, wiegde de kleine Rohat in haar armen tot hij in slaap viel. Leyla en Zozan bleven al die tijd aan haar zijde, alsof ze de rechter- en linkerhand van hun grootmoeder waren. Als een bezoeker de woonkamer was binnengekomen en haar grootmoeder hem fruit en thee wilde brengen, duwde ze Rohat in Leyla’s armen. Maar ze was nog maar net weg of de baby opende al zijn tandeloze mond en zette het op een brullen. Zijn gezicht liep rood aan, zijn ogen schoten vol tranen, en wat Leyla ook deed – klopjes op zijn rug geven, gekke bekken trekken om hem af te leiden, hem in haar armen heen en weer wiegen –, hij hield niet op met huilen. Hij brulde zo hard dat Leyla ervan schrok en zich afvroeg wat ze verkeerd had gedaan. Had ze hem per ongeluk pijn gedaan, of kon zelfs hij, nog maar een baby, haar al niet uitstaan? Ze gaf het op, zelf bijna in tranen, en droeg het kindje naar de keuken, waar het in de armen van zijn grootmoeder meteen kalmeerde.
Beluister onderstaand fragment
Het volgende beeld was een woonkamer met daarin een televisie. Op de televisie een kaal berglandschap, hartje zomer, beelden uit Sinjar die Leyla ontelbare keren had gezien, mensen die renden voor hun leven, moeders met hun baby op de arm, kinderen, vaders, grootvaders, grootmoeders, het stof en de uitputting op hun gezicht.
Een jongeman zat in de woonkamer voor de televisie en keek naar het berglandschap en de gezichten van de vluchtende mensen op de televisie. Ik ben een jonge Koerd, zong Şivan.
De jongeman streek met zijn linkerhand over zijn gezicht, alsof hij tranen uit zijn ogen veegde.
Şivan stond weer op de zandzakken te zingen.
Er kwam een vrouw in beeld, waarschijnlijk de moeder van de jongeman. Ze zat achter hem op een plastic matje, op net zo’n matje als die in de woonkamer van Leyla’s grootouders, ze droeg een witblauw gebloemde hoofddoek en een dito jurk tot op de grond, met daarover een rood jasje.
De jongeman – pas nu zag Leyla hoe tenger hij was, hoe rank en slank – kwam met een ruk overeind, hij leek niet te stuiten. Zijn moeder keek geschrokken naar hem op.
De jongeman stond voor een kast. Hij deed de twee deuren open en haalde een broek en een jas met camouflagepatroon tevoorschijn.
Ik ga naar de oorlog, zong Şivan.
De jongeman knielde neer voor zijn moeder, kuste haar hand, haar haar. Als ze me doden, moeder, huil dan niet, zong Şivan. Ik ga naar de oorlog, ik trek ten strijde.
Zo. Genoeg, zei haar vader en hij zette de televisie uit. Ik ben moe, ik ga naar bed. Hij stond op en liep de woonkamer uit. Haar moeder streelde Leyla’s haar en volgde hem.
Leyla bleef naar het zwarte televisiescherm staren. Toen trok ze een jas aan en liep ze de tuin in. Ze zocht in haar jaszak naar tabak, een filter en vloeitjes.
Ineens voelde ze zich opgelucht. Haar beslissing was allang genomen, dacht ze, alleen had ze dat niet geweten. Ze stak haar sigaret op, inhaleerde de rook en blies die uit.
Rond het boek
De zomers werd positief onthaald in de Nederlandstalige pers. ‘Othmann heeft een spannend en relevant verhaal te vertellen en doet dat met verve’, schrijft Thomas van der Zwan in zijn mooie recensie ‘Een spagaat tussen twee werelden: De zomers van Ronya Othmann’ op MappaLibri.
Ook de VPRO-gids tipt het boek: ‘In haar autobiografische debuutroman De zomers (Tzara) schrijft Ronya Othmann eenvoudig maar indringend over een meisje dat struikelend een evenwicht zoekt tussen haar Duitse, Koerdische en jezidische wortels.’ Othmann was te gast op het literatuurfestival Druk in Leuven in april 2024, waar ze in gesprek ging met haar Vlaamse uitgever Toon Horsten.