De poort naar de Nieuwe Wereld: Dromen
Miriam Georg – 2026
Over het boek
De poort naar de Nieuwe Wereld – Dromen is het eerste boek van bestsellerauteur Miriam Georg (°1987) dat in het Nederlands verschijnt. Eén sappig detail: Miriam Georg heet in werkelijkheid Miriam Kraehe; Georg is een van de pseudoniemen die ze gebruikt. Kraehe schrijft namelijk in verschillende genres en daarom hanteert ze drie verschillende pseudoniemen, elk verbonden aan een bepaald literair imago en een concrete uitgeverij. Als Mina Gold (Penguin Random House) publiceert ze toegankelijke feelgoodromans (Inselblumen-Serie). Als Lisa Kirsch (Fischer Verlag) schrijft ze eerder gestileerde liefdesverhalen (Das Glück in vollen Zügen, Querbeet ins Glück). En onder de naam Miriam Georg, voornamelijk bij Rowohlt Verlag, kiest ze resoluut voor het grotere werk: de historische roman, het genre dat het meest aansluit bij haar passie voor onderzoek en haar belangstelling voor maatschappelijke thema’s.
Afgezien van de in 2025 verschenen roman Die Verlorene (binnenkort ook in het Nederlands) zijn alle historische familiesaga’s van Miriam Georg tweeluiken. En ze hebben nóg iets gemeen: ze belichten vrijwel allemaal het verleden van Hamburg, met bijzondere aandacht voor sociale ongelijkheid en de kwetsbare positie van de vrouw. Ze spelen zich af aan het eind van de 19de en het begin van de 20e eeuw, met als decor zowel riante villawijken als straatarme buurten rond het Gängeviertel en de haven. En niet onbelangrijk: ze zijn stuk voor stuk razend spannend!
En dat is in Dromen, het eerste deel van De poort naar de Nieuwe Wereld, niet anders! Het boek kent een rijk bevolkte figurenwereld, maar volgt vooral het verhaal van twee jonge vrouwen. Ava, een straatarme jonge vrouw die geld bijeenspaart om de overtocht naar Amerika te kunnen maken en daar op zoek te gaan naar haar verdwenen ouders, en Claire Conrad, een bloedmooie en steenrijke redersdochter die vanwege haar opvliegende temperament van hysterie wordt beschuldigd. Door een vreemde speling van het lot ontmoeten ze elkaar in Ballinstadt, een plek vlak buiten Hamburg waar duizenden emigranten samenkomen en wachten tot ze aan boord kunnen gaan van een schip dat hen naar Amerika, naar een beter leven, zal brengen. Daar in Ballinstadt ontmoeten ze ook Will Svarts, een kunstfotograaf, en Quint Morris, opzichter van Ballinstadt. De levens van deze vier personages raken met elkaar verstrikt, en wat volgt is een meeslepend verhaal vol drama en intrige, liefde en vriendschap, waarin turbulente passages worden afgewisseld met prachtige beschrijvingen van het fin de siècle en de hectiek van de uit haar voegen barstende grootstad.
Maar Dromen is veel meer dan zomaar een pageturner. En dat heeft alles te maken met Georgs documentaire stijl. Ze beschrijft zowel grote historische gebeurtenissen – de cholera-epidemie, de armoede en industrialisering, de massale emigratie, het antisemitisme – als kleine, gedetailleerde taferelen, zoals de turfwinning in het veen, de eerste stappen in de fotografie en de volkstentoonstellingen uit het fin de siècle.
Georgs werk sluit aan bij de traditie van de sociale roman, waarin maatschappelijke wantoestanden aan de kaak worden gesteld, maar heeft ook een moderne, feministische insteek: haar boeken laten zien hoe vrouwen uit alle klassen lijden onder patriarchale structuren, zowel welgestelde vrouwen die van hysterie worden beschuldigd als straatarme arbeidsters die in de prostitutie belanden. Dit alles, in combinatie met Georgs beeldende en meeslepende vertelstijl, maakt haar tot een belangrijke stem binnen de hedendaagse Duitse literatuur. Emile Zola of John Galsworthy hadden het niet beter kunnen vertellen!
Uitgegeven bij Manteau


Joëlles vertaalverhaal
‘In december 2024 werd ik gecontacteerd door Patricia Defour, uitgever bij Manteau / Standaard Uitgeverij. Ze vroeg me of ik het tweeluik Das Tor zur Welt van Miriam Georg wilde lezen en er een leesrapport over wilde schrijven. Ik had er net een druk semester op zitten, waarin ik drie verschillende colleges had moeten geven. Ik was dus eigenlijk toe aan rust en ontspanning. Maar toen ik hoorde dat Georgs boeken historische familiesaga’s waren – én dat ze als luisterboek beschikbaar waren –, aarzelde ik geen moment. Het waren immers boeken die ik zelf ook als vakantielectuur zou hebben gekozen, en zo kon ik het nuttige aan het aangename koppelen…
En het duurde niet lang of ik raakte in de ban van het verhaal van Ava en Claire. Voor ik het wist, had ik de boeken uit. Ik schreef een laaiend enthousiast leesrapport en hoopte dat de uitgever de titels zou aankopen – én dat ik ze zou mogen vertalen, dat spreekt voor zich.
In maart 2025 werd ik opnieuw gecontacteerd door Patricia. Ze vertelde me dat ze de rechten voor de boeken had gekocht en vroeg of ik ze wilde vertalen. Mijn eerste reactie was: ja! Ja! Ja! Hoewel de romans heel anders waren dan bijvoorbeeld Goethe of Othmann, vond ik ze erg leuk om te vertalen. Maar…
Ze waren ook erg dik. Elk boek telde meer dan 600 bladzijden. Zou ik dat in mijn eentje wel redden? Hoelang zou ik eraan werken? En kon ik dat nog wel combineren met mijn baan aan de universiteit? Ik aarzelde, maar uiteindelijk volgde ik mijn hart en nam ik de opdracht aan.
En zo werd deze vertaalklus ook voor mij de poort naar een nieuwe wereld. Want ze deed me beseffen dat mijn hart toch écht bij het vertalen ligt. En daarom besloot ik begin 2026 dat ik zou stoppen met mijn baan aan de universiteit en dat ik vanaf 1 oktober 2026 fulltime als vertaler en auteur aan de slag zou gaan. Spannend, vind je niet?
Maar net als alle voorgaande vertaalopdrachten stelde ook dit boek me voor de nodige uitdagingen. Zo merkte ik algauw dat Georg in haar roman een breed maatschappelijk panorama schetst en alle lagen van de bevolking een stem geeft: van vooraanstaande, welgestelde figuren tot straatarme fabrieks- of havenarbeiders. En al die personages hebben natuurlijk hun eigen register, hun eigen taalgebruik. Terwijl arbeiders in de kroeg een volkstaaltje spreken dat door regionale woorden wordt gekleurd, is het taalgebruik van de hogere kringen verfijnd, hoogdravend en vaak doorspekt met Franse woorden. Al deze registerverschillen moest ik in mijn vertaling zien weer te geven – geen gemakkelijke klus, dat kan ik je wel vertellen. Zo koos ik er bijvoorbeeld voor om Laetitia, Claires grootmoeder, net als in het Duits te laten spreken alsof ze nog steeds “in de middeleeuwen leeft”: oubollig, aristocratisch, vermanend. Bij een figuur als Quint, die vaak in arbeiderskroegen rondhangt, koos ik dan weer bewust voor informeel, eenvoudig taalgebruik.
Een andere grote uitdaging was de documentaire schrijfstijl. Georg beperkt zich niet tot een aantal grote thema’s, zoals migratie of de cholera, maar heeft ook oog voor details: de jurken en hoeden die welgestelde dames droegen, de kleren van arme arbeiders, het eten dat door rijken en armen werd gegeten, de eerste vriezers uit die tijd, en ga zo maar door. Al deze details getuigen van vakmanschap en grondige research – research die ik als vertaler voor een deel opnieuw moest doen. Ik moest immers de juiste terminologie in het Nederlands vinden.
En die research kostte me heel wat tijd. Ik riep de hulp in van het Red Star Line Museum voor de terminologie rond schepen en migratie, en ik deed een beroep op een aantal artsen om de cholera-passages te laten nalezen. Ik zocht uren en uren op het web en in bibliotheken. En ik riep de hulp in van collega’s en zelfs van de auteur, die me van extra leesvoer voorzag.
Hoever mag en moet je als vertaler in deze research gaan? Die vraag schoot geregeld door mijn hoofd tijdens het vertalen. Het liefst had ik gewoon mijn koffer gepakt en was ik zelf naar Hamburg gegaan, om daar de stad, de straatnamen, de historische gebouwen, de havenwijk te verkennen, te voelen, met eigen ogen te zien.
Maar “met eigen ogen zien” is in mijn geval als blinde boekvertaler natuurlijk net iets lastiger. Ik zou een gids nodig hebben die mijn ogen kon vervangen en me de verhalen kon vertellen, de geuren kon laten ruiken, de sfeer kon laten opsnuiven. En dat zou in dit geval te veel tijd hebben gekost. Tijd die ik niet had.
Het goede aan het feit dat ik de beelden zelf niet kan zien, is dat ik elk woord ga wikken en wegen en niet per ongeluk vertaalfouten maak omdat ik voetstoots aanneem dat ik weet wat de auteur voor ogen heeft. Je zou haast kunnen zeggen dat ik hierdoor zorgvuldiger te werk ga. Het nadeel is dat het vertalen wat langzamer gaat en dat ik soms hulplijnen nodig heb.
Maar het is me toch gelukt om het boek te vertalen, en ik ben best trots op het eindresultaat! Ik hoop dan ook dat het boek heel wat lezers zal bereiken!’
Uit het boek
Lees en beluister hier enkele fragmenten uit de meeslepende roman De poort naar de Nieuwe Wereld – Dromen. Voor je het weet, wil je zelf naar Hamburg!
Beluister onderstaand fragment
Ze zaten opgesloten in de buik van een walvis. Van een zieke, stinkende walvis die kronkelde van de pijn. De zee beukte tegen de planken, de oerkracht van het water bevond zich op slechts luttele centimeters krakend hout bij hen vandaan. De storm huilde als een dier in een kooi en overstemde godzijdank het gejammer om haar heen.
Wat hij niet kon overstemmen, was de geur.
De tonnetjesplees aan het eind van het scheepsruim stonken op goede dagen al een uur in de wind. Maar sinds het noodweer was losgebarsten, dreven de uitwerpselen in kleine plasjes langs hun voeten. Ze vormden een plakkerige laag op hun schoenen en de zomen van hun rokken, en aan de linkerkant sijpelde er drek vanaf het bovendek langs de muren omlaag.
Al twee dagen was het donker. Al twee dagen hadden ze geen water meer naar beneden gebracht, en ook geen eten. Misschien was het beter zo, want in het begin hadden ze allemaal om de haverklap overgegeven, waren ze onophoudelijk naar de plees gewankeld. Nu ging er niemand meer naar de plees. Het was hoe dan ook merkwaardig stil geworden in de buik van het schip. Toen het begon, in het holst van de nacht, had iedereen gegild en zich aan elkaar vastgeklampt.
Sommigen hadden zich vastgebonden aan de bedden, zodat ze niet heen en weer werden geslingerd. Een voor een waren de lampen uitgegaan, en in het donker was er paniek uitgebroken, mensen waren blindelings langs elkaar heen gestrompeld. Iemand was tegen haar aan geknald, had haar borsten geramd, haar buik.
Ze was in een hoek op haar hurken gaan zitten, haar ene hand om een touw geslagen, terwijl ze met haar andere hand probeerde haar ongeboren kind te beschermen.
Nu klonk er alleen nog zacht gesnik en gesteun telkens wanneer het gehuil van de wind een paar tellen ging liggen. Of in die vreselijke stilte die in de lucht hing vlak voordat er een reusachtige golf tegen de boeg dreunde, het schip even door het niets leek te glijden en dan viel. Viel en viel, recht in de poel van de hel.
Tot het met een klap neerkwam. Ze was er telkens heilig van overtuigd dat ze dood zou gaan. Maar ze ging niet dood, en dat was al niet veel beter.
Het luik aan het eind van de trap zat vast met ijzeren balken. Ze had ze gezien toen ze aan boord was gegaan, maar had niet begrepen waar ze voor dienden.
Nu wist ze het.
Na zonsondergang werd het aardedonker. De oude vrouw in het bed boven haar bewoog niet meer. Ze was dood, dat wist ze zeker, maar ze had noch de kracht, noch de behoefte om het te controleren. Nog even en het deed er toch niet meer toe. Ze zouden allemaal omkomen op de bodem van de oceaan. Ze zouden worden verslonden door de zee, door de storm, die om hen heen raasde en tierde als een leger boze geesten. Wanneer de planken het niet begaven, zouden ze hierbinnen verhongeren of stikken.
Ze waren pas drie weken onderweg. Als het noodweer hen niet uit koers bracht, moesten ze het minstens nog eens zo lang in deze stinkende hel zien uit te houden.
En sinds gisteren was er iets veranderd.
Het kind in haar buik was stil geworden. Het leefde, daar was ze zeker van. Er was iets naast het panische roffelen van haar eigen hart, een warme aanwezigheid, het gevoel van een tweede ziel. Maar het bewoog niet meer. En al een paar uur voelde ze een zeurderige pijn in haar rug. Een druk in haar liesstreek.
Het is te vroeg, dacht ze. De volgende golf smakte tegen de boeg, de walvis kreunde alsof hij de kwellingen niet langer kon verdragen. Precies op dat moment trok er een vlijmscherpe pijnscheut door haar lijf.
Veel te vroeg.
Beluister onderstaand fragment
‘Maar kom nu, Wilhelm. Ik moet u nog iets heel bijzonders laten zien.’ Hagenbeck hoestte en ging hem haastig voor.
Ze kwamen bij een deel van het dierenpark waarin de verblijven plaatsmaakten voor kleine strohutten. Verbaasd kwam Will dichterbij.
‘Hier zijn ze dan: onze Leefwerelden.’ Hagenbeck zette een hoge borst op en bekeek Wills reactie.
Will bleef staan. Natuurlijk wist hij dat het dierenpark, net als de meeste andere, ook mensen tentoonstelde – de Hagenbecks waren tenslotte wereldberoemd om hun Völkerschauen, hun menselijke dierentuinen. Maar hij had ze nog nooit met eigen ogen gezien. Het was een onwerkelijk schouwspel. Op een pleintje speelden kinderen rond een vuurplaats; de volwassenen hadden beschilderde gezichten en droegen dierenvellen en een verentooi.
‘Hottentotten!’ verkondigde Hagenbeck en hij zwaaide vriendelijk naar een van de oudere mannen. ‘Ze zijn pas vorige week gearriveerd. Ze moeten nog wat acclimatiseren.’
Will kon niet onder woorden brengen wat de aanblik van die mensen met hem deed. Ze fascineerden hem, dat sprak voor zich – alles wat vreemd was, had iets fascinerends. Maar hij voelde hoe een golf van schaamte hem overspoelde. Hij moest zijn blik afwenden. ‘Ik weet eerlijk gezegd niet wat ik ervan moet vinden’, zei hij en hij bedacht dat hij een slappeling was. Quint zou in zijn plaats onomwonden tegen Hagenbeck hebben gezegd wat hij ervan vond.
‘O, maar meneer Svarts!’ Hagenbeck lachte. ‘Die mensen zijn allemaal vrijwillig hier.’
‘Maar ze spreken onze taal toch niet. Hoe kunt u dat dan weten?’ Will keek naar een vrouw met een baby, maar wendde zijn blik geschrokken af zodra hij besefte waar hij naar keek. Hij had nog nooit gezien hoe een vrouw in het openbaar een kind de borst gaf.
‘Ze weten niet beter. U ziet het zelf, ze kennen geen enkele schaamte.’ Hagenbecks blik gleed eveneens over de jonge vrouw. ‘We verdienen het meeste geld met zwangere en ontblote vrouwen. De inwoners van Hamburg hebben het graag zo wild en exotisch mogelijk. Geloof me, de cijfers liegen er niet om.’
Hagenbeck lachte veelzeggend. ‘En zolang de tentoongestelde volkeren er geen bezwaar tegen hebben, is het toch een win-winsituatie. We dwingen niemand ergens toe. Dat is mijn absolute, onwrikbare principe. Natuurlijk moeten we hun een beetje “opleggen” hoe ze de toeschouwers moeten vermaken. Wanneer ze eten bereiden bijvoorbeeld, en wanneer ze hun dansen opvoeren. Niemand heeft er wat aan als ze dat allemaal doen wanneer het park gesloten is.’ Hij knipoogde. ‘Maar dat is ook alles. En ze krijgen goed betaald voor het werk dat ze hier doen.’
Will keek naar het hek. Niet voeren aub, stond er op een bordje voor de hutten.
‘Ik doe al veertig jaar onderzoek op dit gebied. U kunt er zeker van zijn dat ze de beste behandeling krijgen die ze zich maar kunnen wensen. We richten zelfs onze schepen voor de overtocht zo in dat ze zich er thuis voelen. Dit hier voelt als een tweede thuis voor hen.’
Will schudde het hoofd. ‘Je hebt maar één thuis’, antwoordde hij zacht. Hagenbeck maakte een geïrriteerde indruk. ‘Nou ja, daar hebt u misschien wel gelijk in. Maar uiteindelijk brengen we ze ook weer terug. Ik moet zeggen dat ik enigszins verbaasd ben over uw reactie. Onze Leefwerelden zijn er toch net om onze toeschouwers iets te geven, om ze beter vertrouwd te maken met andere volkeren en beschavingen. Dat is toch een nobel streven. Maar uiteraard vind ik ook iemand anders voor de foto’s. Ik wilde uw atelier ondersteunen.’
Will zag de gekrenkte blik van de oude man, die met zijn wilde haar zelf een beetje aan een leeuw deed denken, en hij keek naar de vrouw met haar baby.
Hij dacht aan zijn atelier en aan de rekeningen die zich weer eens opstapelden. Hij dacht aan Ava, die hij moest betalen voor haar werk als hij wilde dat ze bleef komen. Hij dacht aan zijn vader en de triomfantelijke glimlach op zijn gezicht, en hij dacht aan de toekomstmogelijkheden die een contact als dit hem zou kunnen opleveren. Will wilde foto’s maken die iets veranderden, die mensen raakten, die niet voor de grote massa waren bestemd, maar voor ogen die ze wisten te waarderen. En om dat te bereiken, moest het eindelijk eens wat vooruitgaan met zijn atelier.
Hij haalde diep adem. ‘Meneer Hagenbeck, u hebt me verkeerd begrepen.’
Beluister onderstaand fragment
Op het grasveld voor het ziekenhuis lag het ene lijk naast het andere. De meeste waren provisorisch met doeken bedekt. Terwijl ze verbijsterd bleef staan en het schouwspel in zich opnam, zag ze hoe nóg eens drie zwaarbeladen lijkkoetsen de straat in kwamen denderen.
Alweer was de aanblik van de stad veranderd. Ook in sommige straten lagen er doden, met doeken bedekt, en twee keer kwam Ava langs grote pleinen die met palen waren afgezet. Daarachter lagen ook doden. Tijdelijk opgeslagen. Omdat ze kennelijk niet wisten waar ze ze heen moesten brengen.
Het was veel te stil, en tegelijkertijd hing er een koortsachtig gegons in de lucht. Niemand liep nog in een normaal tempo; de enkelingen die buiten waren, haastten zich met neergeslagen blik door de straten. De meeste huizen waren dichtgetimmerd, de winkels gesloten. Aan de aanplakzuilen en huismuren hingen waarschuwingsborden. De bittere chloorgeur beet in Ava’s ogen en nestelde zich in haar keel. Ze zag grote waterwagens, waarvan het drinkwater aan de mensen werd uitgedeeld, en gaarkeukens met lange rijen ervoor. Toen ze langs een huis liep waarvoor zich een menigte had verzameld, hoorde ze geschreeuw. Ze bleef staan en zag hoe mannen in witte pakken een vrouw uit een deuropening sleurden. Ze verzette zich en brulde. De mannen grepen haar armen en benen vast, een van hen hield iets in zijn hand dat eruitzag als een grote schilderskwast en besprenkelde de vrouw met een witte vloeistof.
‘Wat is dat?’ vroeg een kind dat de hand van zijn moeder omklemde en net zo gebiologeerd toekeek als Ava.
‘Chloorkalk’, antwoordde de moeder, terwijl ze het kind meetrok. ‘Die vrouw moet naar het ziekenhuis, maar ze wil niet!’
Ava pakte haar portemonnee met daarin Mettes munten en kocht bij een kleine vrouw met een handkar een korst brood van de vorige dag. Het was steenhard en smaakte nergens naar, maar ze hadden haar in het ziekenhuis op het hart gedrukt dat ze voorzichtig moest zijn met wat ze at: niets vets en niets zuurs of fruitigs. Ze had geen trek, en dat besef verbaasde haar. Ze had áltijd trek. Toch dwong ze zichzelf van het brood te eten; keer op keer brak ze er kleine stukjes van af en stopte die in haar mond.
Ava was alleen. Dat drong met gruwelijke helderheid tot haar door terwijl ze op de leeggeveegde Jungfernstieg zat en uitkeek over de verlaten Lombardsbrücke,
waarover vandaag geen enkele trein reed. Ze was volkomen alleen.
Rond het boek
De persvoorstelling van De poort naar de Nieuwe Wereld – Dromen vindt plaats op zaterdag 3 oktober 2026 in het Antwerpse Red Star Line Museum. Lees het persbericht.
Leestip
Lees het nawoord dat Joëlle schreef bij haar vertaling van deze historische roman.
Kijktip
Bekijk hieronder de trailer die Joëlle voor dit boek maakte. Ze leest fragmenten voor en geeft een inkijkje in haar wereld als blinde boekvertaler.
Stap mee aan boord
Kijk en luister naar de proloog van Dromen en laat je meevoeren door dit spannende verhaal. Ingelezen en gemonteerd door actrice Katrijne Merrigan.